Archief van: ‘Psalm 139’

De afgelopen week was een van de heftigste weken uit mijn leven. Zondagochtend hoorde ik voor de eerste keer van de plotselinge dood van Martijn de Zeeuw. Nog diezelfde middag belde zijn vader met de vraag of ik de samenkomst van afgelopen vrijdag wilde leiden.
Ik dacht meteen ‘ja’, maar ik vroeg natuurlijk om wat bedenktijd.
Zondagavond had ik besloten.

Ja, en dan ga je denken. Wat moet ik in vredesnaam zeggen in een overdenking tijdens zo’n samenkomst? Zijn er wel woorden? Is er wel troost?
Er komen zoveel jongeren die weinig tot niets met het christelijk geloof hebben. Hoe spreek ik hen aan?

Maar al snel schoot een beeld, waarmee ik zelf natuurlijk ook heel veel heb, van de keeper me te binnen. Martijn keepte namelijk. Eerst bij Hoogland, later bij ASC Nieuwland.
Het verhaal zat in m’n hoofd, maar pas op donderdag stond alles op papier. (Vrouw en zoon waren de hele week wat ziek, ik had geregeld overleg met betrokkenen, en een inbraak in onze auto – TomTom gejat – kostte me de nodige tijd.)

Ik deed een kleine try-out in een klein groepje jongeren, bij wie ik door onze predikant werd uitgenodigd. De metafoor sloeg aan, en dat maakte me een stuk zekerder.

Het is een mooi en duidelijk verhaal over de trainer, zijn team en zijn keeper geworden. Een verhaal dat moeiteloos overloopt in een korte lezing en toepassing van Psalm 139, 7-12. Een geweldige troost.

Met toestemming van de ouders en kinderen plaats ik hieronder de overdenking.
Het is mijn gebed dat het ook anderen veel troost en kracht mag geven.
Namens Jezus Christus.

Samenkomst Martijn de Zeeuw – overdenking Psalm 139, 7-12

We zijn nu drie dagen verder in het leven van Joram. Tsjongejonge, wat een belevenis. We moeten het samen echt verwerken en vinden het fijn dat we daar de tijd voor krijgen.

Natuurlijk denk ik over dit alles ook op geestelijke wijze na. En ik moet zeggen: m’n geloof in God is verdiept.

Kijk, ik kan goed begrijpen dat mensen (niet-christenen) de geboorte van hun zoon of dochter niet meteen aan het bestaan van een God koppelen. Dat hun kind door een Schepper gemaakt zou zijn. Daar heb je namelijk geloof en bijbelse kennis voor nodig.
Anders zou iedereen wel in God geloven na de geboorte van een kind.

Aan de andere kant verbaas ik me erover dat mensen gewoon naïef doorleven. Ik zou zeggen: kijk en denk ’s serieus, diep en eerlijk na.
Sommigen zeggen dat ze een kind hebben gemaakt. Dat kan ik nu echt helemaal niet (meer) begrijpen. Ik vind dat getuigen van de grootst mogelijke arrogantie. Ik vind het ook dwaas. Hoezo ‘gemaakt’?
Noem dan één lichaamsdeel dat je gecreëerd hebt, en ik trek m’n woorden terug.

Het bestaan van een Schepper-God is met de geboorte van een kind niet strikt bewezen, maar ik vind het meer voor de hand liggen dan de gedachte dat mensen zelf mensen maken.

Psalm 139, 13-16

U was het die mijn nieren vormde,
die mij weefde in de buik van mijn moeder.
Ik loof u voor het ontzaglijke wonder van mijn bestaan,
wonderbaarlijk is wat u gemaakt hebt.
Ik weet het, tot in het diepst van mijn ziel.

Toen ik in het verborgene gemaakt werd,
kunstig geweven in de schoot van de aarde,
was mijn wezen voor u geen geheim.
Uw ogen zagen mijn vormeloos begin,
alles werd in uw boekrol opgetekend,
aan de dagen van mijn bestaan ontbrak er niet één.

Ik denk dat het één van de meest intieme en dus ook geliefde psalmen in de bijbel is. God en de dichter: zo dichtbij elkaar. Zo veilig, waar hij ook gaat, staat of heenvliegt. Psalm 139.

God kent hem door en door en hij wordt er in het geheel niet bang van. De dichter is daarentegen ondersteboven van Gods doordringbare kennis van zijn leven en lichaam.
Hij begrijpt er niets van, maar hij vindt het heerlijk. God: het enige ‘röntgenapparaat’ dat de mens blij, verwonderd en aanbiddend maakt.

Maar dan, ineens:

Psalm 139, 19-22

19 God, breng de zondaars om,
– weg uit mijn ogen, jullie die bloed vergieten –
20 ze spreken kwaadaardig over u,
uw vijanden misbruiken uw naam.

21 Zou ik niet haten wie u haten, HEER,
niet verachten wie tegen u opstaan?
22 Ik haat hen, zo fel als ik haten kan,
ze zijn mijn vijand geworden.

De geestelijke lol is er meteen vanaf. Wat een raar stukje, of niet dan?

Ik heb wel gedacht: ‘Kijk, dit is nou typisch Oude Testament. Ik weet wel beter, want Jezus zou ons later duidelijk leren: heb je vijanden lief. En dat moet deze jongen blijkbaar nog leren.’

Ook de jongerenbijbel stelt die gedachte voor. Ik vraag me nu af of dat klopt. Ik denk namelijk dat wij echt met God mee mogen haten. Want heeft Jezus het over mijn vijanden (”Heb jouw vijanden lief”), deze dichter heeft het over Gods vijanden (vers 20b).

En dat laatste zit de dichter ontzettend dwars. Hij kan er niet tegen dat zijn geweldig nabije God bespot en gehaat wordt. En dus klimt hij op Gods veilige schouders – zo dichtbij komt God vast ook wel – en haat hij met God mee. Op die manier is de dichter ook heel dichtbij Gód (vers 18b).

Gods vijanden, dat zijn ook mijn vijanden. Want ik hoor bij die God. En ik wil dat ook.

Deze Joodse dichter heeft het, als hij redelijk is, over mensen die God net zo goed als hij kúnnen kennen. Ik denk dat hij het vooral over zijn eigen, afgevallen volksgenoten heeft.

Dat wil niet zeggen dat ik niet hoop dat Gods vijanden veranderen. Ik hoop maar wat graag dat ze zich bekeren en God als hun God leren kennen. Dat wil God natuurlijk ook. En was dat niet zijn motivatie om zijn Zoon te zenden?

Maar als ze zijn vijanden blíjven (terwijl ze beter weten), dan hebben ze een groot probleem. Want dan komt God óók dichtbij, maar dan heb je hem tegen je. En is ‘t gebeurd met je.
Dat openbaart God duidelijk in de bijbel, zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament. En dus openbaar ik dat met hem mee. Zulke mensen haat ik ook.