Vandaag heb ik weer eens drie keer gepreekt. Dat is teveel van het goede, ik zit er behoorlijk door heen, maar ook wel weer ’s leuk om te doen. Bovendien verliep de derde dienst, in Ermelo, wel lekker.

Vanmorgen hield ik de preek die ik vorige week zondag in Amersfoort-Hoogland en Nieuwland hield. Iets aangepast, dat wel, na goede feedback.

‘Het nieuwe leven’ heb ik die preek als titel meegegeven. Het gaat over het gesprek tussen Nikodemus en Jezus. In dat gesprek komt Jezus met een beeld op de proppen waarvan je in eerste instantie denkt: wat moet ik in vredesnaam met het begrip ‘opnieuw geboren worden’? Ik begrijp Niko’s reactie wel: “Moet een mens dan voor de tweede keer…?”

De preek is hieronder na te lezen.

Johannes 3, 1-9 [Het nieuwe leven]

De oude preek over Jakob, Lea en Rachel kun je via de Categorieën (Preken) hiernaast ook wel vinden, maar ach, gemak dient de mens, klik hier maar gewoon.

Hoe spreek je als prediker je publiek aan? Dat is een vraag die mij intrigeert, omdat ik van de preekkunde houd. Toen ik in Kampen studeerde vond ik homiletiek dan ook verreweg het boeiendste vak. Ik kon het daarom ook niet laten om mijn missiologie-eindscriptie vanuit een behoorlijke homiletische invalhoek te benaderen.
Homiletiek is ook zo leuk en boeiend te maken. Neem de vergelijking tussen het kerkelijk preken met de wijze waarop we om ons heen toegesproken worden! Wereldleiders, cabaretiers, coaches – allemaal speechen ze er bij tijd en wijlen op los. Waarom boeien zij, en waarom niet?
Superboeiende materie wat mij betreft.

De manier waarop je je publiek in de kerk aanspreekt is van onschatbaar belang. Een vuistregel daarvoor lijkt me deze: Houd je aan de kleur van de Bijbeltekst die je behandelt. En dan zijn er volgens mij drie verschillende manieren van aanspraak:

1. De voluit directe aanspraak (’de gebiedende wijs-preek’)
Veel preken staan onder een thema. Daarbij valt me vaak op dat dit thema in de gebiedende wijs wordt geformuleerd als in de behandelde Bijbeltekst deze gebiedende wijs in geen velden of wegen te bekennen is. Zoals “Leef als Jozef!” (als het over Jozefs leven gaat) of: “Wees gelukkig met Jezus!” (als het begin van Jezus’ bergrede centraal staat).
Met een gebiedende wijs als inzet is op zichzelf genomen niets mis, maar het is maar de vraag of je daarmee recht doet aan de tekst die je behandelt. Kijk, als God wil dat we ‘als een Jozef’ leven, dan had hij dat wel zo overgeleverd. God heeft daarentegen het verhaal van Jozefs leven laten optekenen. En dat is een levensverhaal dat van begin tot eind door God geregisseerd wordt, zelfs als je lange tijd de indruk hebt dat God ver weg is.

Het lijkt me verstandig om gebiedende wijs-preken te beperken tot die teksten die in de gebiedende wijs staan. Als Paulus zegt dat de Heer onze vreugde moet blijven (Filippenzen 4,4), zou het vreemd zijn als dit niet de insteek is van van de uitwerking, de preek.
Heel anders loopt het bij de verhalen in de Bijbel. Dan kun je in de meeste gevallen beter kiezen voor:

2. Spiegeling
Afgelopen zondag maakte ik hiervan een mooi voorbeeld mee. De preek ging over Jakob die, wanneer hij naar zijn oom Laban afreist, constant zijn eigen leven en sores in het middelpunt blijft zetten (Genesis 29). Dit verhaal werd vergeleken met het verhaal van Eliëzer, de knecht van Abraham, die jaren daarvóór dezelfde reis als Jakob maakte. Maar Eliëzer zette bij alles wat hij deed de HEER in het middelpunt van zijn leven (Genesis 24).

De prediker legde dit knap en relevant uit, en het enige wat hij van de hoorder verwachtte was dat hij/zij zijn eigen leven spiegelde aan dat van Jakob en Eliëzer.
Hij sprak de gemeente hierop niet aan, vulde ons leven niet in. De hoorder moest zelf aan de slag.
Perfecte spiegeling.

Jezus, de meester, doet dit zelf ook. Het bekendste voorbeeld daarvan is zijn verhaal over ‘De vader en zijn twee zonen’ (Lucas 15). Jezus vertelt dat verhaal en… laat het daarbij.
De Farizeeën en allen die er kritiek op hadden dat Jezus het uitschot van de samenleving opzocht, hadden zichzelf aan zijn verhaal te spiegelen.

3. Individueel aansprakelijk maken
Wanneer je in een grote groep (als de kerk) spreekt, kun je natuurlijk in de wij-vorm spreken. Voordeel daarvan is dat het samenbindend werkt. We staan met z’n allen voor dezelfde Heer.
Het nadeel daarvan is dat de hoorder zich in de massa kan verschuilen. Juist door het verkondigde wij-gevoel bestaat het risico dat je eerder iets aangepraat wordt dan dat je jezelf voelt aangesproken. Als je bijvoorbeeld hoort dat God ‘ons uit genade vergeven heeft’ kan je dat het idee geven dat jezelf niet veranderd hoeft te worden. Je kunt opgaan in de vergeven massa zonder dat je berouw hebt van of wilt stoppen met je eigen zonden.

Van Jezus heb ik geleerd dat je als prediker ook geregeld mensen individueel aansprakelijk moet maken. Dat werkt vrij eenvoudig. Je spreekt de gemeente namelijk niet in de wij-vorm aan, maar in de wie-vorm.
‘Wie van jullie zonder zonde is, laat die als eerste een steen naar haar werpen’ (Johannes 4, 7) is een uitspraak aan het adres van een groep mensen, maar Jezus spreekt iedereen persoonlijk aan. (Had Jezus iets gezegd als ‘Jullie zijn allemaal slecht als jullie haar stenigen’, dan had niemand aan introspectie gedaan en was de vrouw alsnog gestenigd, en had Jezus zelf ook op de vlucht moeten slaan.)
Jezus gebruikt deze wie-vorm meer dan regelmatig, en bij goed gebruik (qua inhoud en timing) werkt hij altijd.

Zelf hanteer ik een vrij directe manier van preken, misschien wel vaker dan nodig is. Juist door de verschillende klankkleuren van een Bijbeltekst serieus te nemen, leer ik mezelf aan op variërende manieren de hoorders te benaderen.

Preken valt me regelmatig behoorlijk zwaar. Dat komt natuurlijk in de eerste plaats door de inhoud die door Jezus zelf wordt gekenmerkt als een scherp, tweesnijdend zwaard (vgl. Openbaring 1, 16). Praten over voetbal, eten, kleding en het weer is een simpel en pijnvrij gebeuren. Maar komt Jezus en het koninkrijk van zijn Vader aan de orde, dan weet ik bij voorbaat al dat de poppen gaan dansen.
Dat komt dan ook in de tweede plaats. Preken voor mondige hoorders is aan de ene kant leuk (en beter dan vroeger, lijkt me) maar het vermoeit ook enorm.

Wat dat betreft lijkt het me gemakkelijker om te preken in nieuw op te richten gemeentes dan in de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt. Nieuwe hoorders zijn in tegenstelling tot een (groot?) deel van de GKv’ers niet of minder voorgesorteerd en vooringenomen, en waarschijnlijk dus ook ontvankelijker en nieuwsgieriger.
In ieder geval vind ik het heerlijk om vanuit niet-christelijke kant niet de verwachte opmerkingen en vragen te krijgen. Houd een (spannende) preek in de GKv, en je weet bij voorbaat wat soort reacties je krijgt. (Krijgt een prediker nooit reacties, dan weet hij dus waaraan dat ligt.)

Ik vind het fijn om opbeurende en positieve reacties te krijgen. Dat gebeurt natuurlijk ook.
Andersoortige reacties die ik krijg, zijn alsvolgt te onderscheiden:

1. Dogmatische kanttekeningen. Wanneer ik de bordjes al dan niet bewust scheef ophang, kan ik erop wachten mails te krijgen waarin de materie dogmatisch rechtgetrokken moet worden. Een deel van de GKv’ers, zo vermoed ik, wil niet meegenomen worden met het gelezen Bijbelgedeelte maar kloppende, (over)bekende en dogmatische waarheden aangehoord krijgen. Alsof elke Bijbeltekst, elke zijstraat, op dezelfde hoofdweg moet uitkomen.
Discussies hierover worden vaak gevoed door valse dilemma’s en verzanden geregeld in vermoeiende haarkloverijen.
Ik vind het zowel spannender als beter om elke Bijbeltekst haar eigen kleur aan het christelijk geloof (en aan onze niet in een afgemeten hokje passende God) te laten geven. Dat geeft het christelijk leven dynamiek en voorkomt dat je opgezadeld wordt met een handzaam evangelie waarvan je nooit schrikt (vgl. Filippenzen 2, 12, bewust in NBG ‘51-vertaling: vrezen én beven).

2. Eenzijdige nadruk op Gods liefde. Niet alleen ik maar ook menig ander GKv’er is opgegroeid met wettische en vermoeiende prediking waarin weliswaar veel nadruk werd gelegd op Gods prachtige verbondsbeloften, maar ook aan de zogenaamde ‘eis van het verbond’. Je moest geloven, “maar ook…”. Geloof en geestelijk leven werden hierdoor zover uit elkaar getrokken dat moraliserende prediking in veel kerken gemeengoed werd.
In de jaren ‘90 kwam hier terecht reactie op. Een boekje als ‘Feest van genade’ vond gretig aftrek in de GKv, en heeft voor velen gelukkig erg verlichtend gewerkt. Ook de theologische invloed vanuit Anglicaanse hoek heeft ons toch wel wat eenzijdige, vrijgemaakte denken goed gedaan.

In de bijna twee jaar dat ik nu preek, meen ik een bepaalde verlegenheid en eenzijdigheid onder de kerkleden te bespeuren. Aan de ene kant willen we graag en terecht blijven horen dat God van ons en de wereld houdt, aan de andere kant merken we ook dat er in veel van onze gemeentes niets of weinig gebeurt. We horen mooier of beter evangelie, maar de uitwerking ervan blijft achterwege.

Nu is het volgens mij zo dat menig prediker de crisis in de GKv niet erkent. Maar ik denk ook dat menig prediker dat wel doet, maar met zijn handen in het haar zit. Het evangelie van Gods liefde wordt aan de man gebracht, maar de vraag knaagt: hoe preek je in vredesnaam direct? Hoe spoor je mensen aan, hoe waarschuw je goed? Hoe gebruik je de gebiedende wijs in de preek, zonder opnieuw het geestelijk leven los te koppelen van het geloof in Christus?

Ik hoor weinig preken waarin predikers nog met de vuist op tafel durven te slaan. Veel vaker, is mijn indruk, wordt er (uit angst, uit veiligheidsoverwegingen?) gespiegeld en niet meer rechttoe-rechtaan verkondigd waarop het aankomt. Ook hoor ik regelmatig dat je als prediker gewoon Gods liefde moet preken, en dan zul je vanzelf wel zien of er wat in de gemeente gebeurt. U zult begrijpen dat ik dit een te gemakkelijke houding vindt; een lui profiteren van het Heidelbergse Catechismische ‘het kan niet anders of’.
Liefde heeft ook een keerzijde, namelijk gekrenkte liefde. En dat moet gezegd.

Ik merk dat mensen enthousiast worden als ik een preek over Romeinen 8 gehouden heb, maar mensen schieten in exact dezelfde gemeente in de stress bij een preek over geestelijk leven waarin we worden opgeroepen worden te stoppen met bepaalde dingen. “Je had Gods liefde meer moeten benadrukken of daarmee moeten beginnen!” Of: “Nu ben ik weer terug bij af!” Of: “Hier word ik veel te onrustig van!”

Juist de christen die weet dat hij door God geliefd is, hoeft niet elke keer te horen dat dit zo is. Accepteer dat je geliefd bent. Accepteer die waarheid altijd, leef daarmee, ook als die waarheid door deze of gene in twijfel getrokken wordt. Bovendien maken predikers fouten, en die moeten ze mogen maken.

Wat je ’s zondags te horen krijgt, hangt in de eerste plaats van de gekozen Bijbeltekst(en) af, niet van onze persoonlijke wensen.
Als ik Joram terechtwijs of straf, zou hij dit tegen mij kunnen zeggen: “Maar papa, kunt u, voordat u mij op de gang zet, niet even zeggen dat u van me houdt?”
Ik zal hem zeggen: “Mond houden, en zitten!”
Hij hoeft, helemaal naarmate hij ouder wordt, niet altijd te horen dat ik hem uit liefde aanpak.

Wanneer vanuit de liefde die Jezus Christus voor je heeft, radicaliteit samengaat met ontspanning leeft een mens een gelukkig leven.

Ik denk aan die Jezus die nergens een plek had om te kunnen rusten (Lucas 9, 58) en ondertussen wel zijn radicale boodschap over het koninkrijk van zijn Vader bewogen, geduldig en graag aan de mens bleef aanbieden.
Ook zie ik zijn leerlingen op weg gaan, zonder geld, zonder reistas, zonder extra kleren, zonder sandalen en stok. “Want”, had Jezus hun toevertrouwd, “een arbeider is het waard dat er in zijn onderhoud wordt voorzien.” (Matteüs 10, 9-11)

Ja, geld, altijd dat geld. Eens in de zoveel tijd komt dat terug. Is het niet vanaf de kansels en podia in de kerk dan wel in je eigen geweten.

De meeste christenen in Nederland zijn rijk, soms steenrijk. De meeste christenen hebben, meen ik, honderden euro’s op hun betaalrekening staan, en duizenden, ik denk zelfs bedragen met vier, soms zelfs vijf nullen op hun spaarrekening staan.
Hoe dien je daar nu mee om te gaan als je Jezus in je leven hebt leren kennen? Moet je dat geld “eigenlijk” allemaal weggeven? Of zou je er, als puntje bij paaltje komt, zonder moeite afstand van moeten kunnen doen? Hoe zit dat?

Jezus heeft geen duidelijke richtlijnen of wetten nagelaten. “Zo- en zoveel moet je jaarlijks doneren.” Hij heeft wel gezegd dat je niet én zijn God én Mammon – de geldgod – kunt dienen (Matteüs 6, 24). Ook heeft hij zijn leerlingen laten weten dat een rijke nog minder kans heeft het koninkrijk binnen te gaan dan een kameel die zich door het oog van een naald probeert te wringen. Deze uitspraak was zo schokkend dat zijn (rijke?) leerlingen niets anders konden zeggen dan: “Maar wie kan dan gered worden?” (Matteüs 10, 26)

Ergens is het logisch dat juist Jezus gaan strak omlijnde voorschriften heeft nagelaten. Het zal hem om onze intenties gaan, ons hart, niet om vastgestelde bedragen zoals we dat helaas in onze kerken hebben moeten regelen. (Ik begrijp het systeem, maar het heeft iets triests. Ik denk dat de eerste christenen zich om het Vaste Vrijwillige Bijdrage-systeem erg kwaad zouden maken.)
Toch weerhoudt het ontbreken van richtlijnen uit de mond van Jezus Paulus er niet van het volgende te schrijven, aan christenen die in de eerste eeuw van onze jaartelling in Efeze woonden.

Laat wie steelt niet meer stelen, maar eerlijk de kost verdienen door zelf hard te werken om iets weg te kunnen geven aan wie het nodig heeft. (Efeziërs 4, 28)

Ik had al zo’n voorgevoel! Het woordje ‘iets’ is er vast door een vertaler ingemoffeld die vreesde in plaats van aan zijn vertaalwerk te verdienen, er op achteruit te gaan… In het Grieks kom ik het woordje niet tegen.
Christenen leven, werken en verdienen geld om dat weg te kunnen geven aan hen die in nood zijn. En hoewel het dan nog steeds niet om het bedrag op zich gaat, zegt het wel iets als wij duizenden euro’s op onze rekeningen laten staan.

Ik denk dat we ons dan twee dingen moeten afvragen. In de eerste plaats of wij onszelf al eens getest hebben om, wat ons geld betreft, radicaal christen te zijn. Waarom houden wij veel geld achter, op de bank of in de kluis? Ik heb van huis uit meegekregen dat je altijd iets achter de hand moet houden, want de koelkast kan er zomaar mee ophouden. Oké, laten we op deze slak geen zout leggen, maar waarom houden wij zoveel geld achter dat we met gemak 50 gezinnen aan een vries-koel-combinatie kunnen helpen?

In de tweede plaats dienen wij ons af te vragen of wij ons (willen) inzetten om op zoek te gaan naar die plekken en die huizen waar de nood dusdanige vormen aanneemt dat we met ons geld kunnen doen waarvoor het in christelijke zin bedoeld is.

Ik geloof dat een radicale omgang met ons verdiende geld vreugde en ontspanning oplevert. Anders kan ik niet bedenken waarom Jezus alles, zelfs zijn eigen leven weggaf. Of zou de man die alle macht van de wereld had, ziek zijn geweest? Of gek?

Een van de leukere Nederlandse sites vind ik relaxedradicaal.nl. Jongeren onderzoeken op originele wijze hoe mensen in de wereld staan en hoe zijzelf op een Jezuschristelijke manier kunnen leven.

Zo fietsten ze zonder geld en frisse kleren Nederland rond. Bidden, Bijbellezen, en dan gewoon kijken hoe je de dag doorkomt en waar je overnacht.
Op dit moment reizen ze door Europa, en beschrijven ze wat ze meemaken.

Alleen de term al, relaxed radicaal, spreekt me aan. Ik wil dat zelf ook zijn. Ik vind het ook een typisch christelijk levensmotto.
Ik merk – net als die jonge gasten die ongeveer net zo oud als ik zijn ;) – dat die ontspanning volgt op de radicale keuze. Andersom lijkt me onmogelijk: je kunt niet ontspannen besluiten radicaal Jezus Christus te gaan volgen. Pas na een stevige confrontatie met die Jezus, die al je oude zekerheden, gewoontes en eventuele religieuze handelingen ontmaskert, verandert je manier van leven, waarop de ontspanning die Jezus zelf ook had, zal volgen.

Een van de jongeren schreef na een weekje christelijk-radicaal geleefd (lees: gefietst) te hebben: “Ik ben tot de ontdekking gekomen dat ik een week lang niet aan mijn bankrekening heb gedacht.”
Ontspanning (en geluk en vreugde) volgt op radicaliteit. En zal meer en meer samengaan.

Beste Ad,

‘worden als Jezus’ is absoluut hét kenmerk van de christen, maar wordt volgens mij een loze kreet als er niet radicaal gesproken, geschreven en geleefd kan worden.
Nieuwe inzichten en correcties horen daarbij.

Ik neem dan ook afstand van wat broer Douma met de GKv wil: terug naar ‘zijn’ kerk. Ik hoop dat hij het stokje durft over te geven aan de nieuwe generaties voorgangers en kerkleden die totaal anders in het leven staan, voordat de GKv helemaal leeglopen. Ik denk dat Douma met het leeuwendeel van zijn ideeën – onbewust – in het einde van de GKv berust. Maar het voert te ver om dit nu nader te verklaren en ik denk dat dat ook niet nodig is omdat hij, denk en hoop ik, alleen gehoor zal vinden bij die mensen die vanwege zijn opgebouwde status in de GKv bij voorbaat zijn kant kiezen. Hij zal weinig jongere mensen overtuigen omdat wat hij schrijft hen te bekend en te gedateerd in de oren zal klinken. Inhoud waarmee zo goed als elke GKv’er is opgegroeid, geeft geen beroering.
Het zal mij ook niet lukken, hoe goed ik ook mijn best doe, om Bert van Marwijk ervan te overtuigen het zogenaamde totaalvoetbal uit de jaren ‘70 te laten spelen. Dat is passé, de voetbaltijden zijn veranderd.

Terug naar de wet waarover we dus gewoon moeten kunnen praten.
Kijk, het gaat mij in de kern niet om het wel of niet voorlezen van de wet. Al doen we dat tien keer per week of per zondag, lekker belangrijk. Slechter zal een christen er echt niet van worden. ;)
Ik denk alleen dat een christen ontspannen en radicaal kan leven wanneer Jezus’ onderwijs centraal komt te staan. Want via Jezus leer je de Vader veel duidelijker en beter kennen dan via het OT. Via het OT kom je nooit op Jezus’ radicale onderwijs uit, via Jezus daarentegen kun je het OT juist wel op waarde schatten.
Voor de duidelijkheid, ik zeg hiermee natuurlijk niet dat Jezus ongenoemd blijft in de GKv, want dat is absoluut niet waar en anders zou ik er ook niet lid kunnen blijven. Ik denk wel dat Jezus in menig gemeente structureel tekort is en wordt gedaan, met alle verschrikkelijke gevolgen van dien in het persoonlijk leven van de kerkleden.

Radicaal discipelschap komt in de verdrukking wanneer in de kerk meer een God-(de-Vader-)geloof wordt verkondigd dan een Jezus-geloof waarin, waarmee en waardoor we door zijn Geest de Vader leren kennen.
Haal Jezus (zo goed als) weg uit de OT-prediking (en dus ook uit de wet), en je loopt totaal vast met alle moorden die in het OT worden gepleegd, de zondvloed, de vloek en zegen op Kaïn en de eeuwige vloek op een volk als Amalek, de vele wetten en voorschriften, de discussies over scheppingsdagen en de sabbat/zondag, Micha 6:8, de oproep tot moord van de kinderen in Psalm 137, en de psalmisten die psalm-in-psalm-uit hopen dat hun vijanden door God vernietigd worden, om maar eens enkele voorbeelden te noemen.

Ik vrees, maar ik kan er naast zitten, dat veel christenen die gereformeerd zijn opgevoed wel veel met God (als almachtig Vader) hebben, maar geen persoonlijke band hebben opgebouwd met Jezus Christus, en zijn ‘functie’ beperken tot Kerst (hij is Gods Zoon), Golgota (mijn zonden zijn vergeven) en Pasen (ik heb eeuwig leven).
Met een dergelijk “geloof” lopen deze christenen het risico op Nikodemus te lijken, die de godheid van Jezus ook erkende (Johannes 3, 2), maar wel opnieuw geboren diende te worden (Joh. 3, 3).

Hoe Jezus wil dat wij ons leven invullen, wordt vaak van zondag tot zondag beperkt tot Gods wet die wel goed is, maar ook erg summier en daardoor weinig handzaam voor het leven van alledag.
Christenen hebben het onderwijs van Jezus en zijn Geest nodig. De letter van de wet voldoet niet, levert geen bekering en dus ook geen levensvreugde op.

Ik moet zeggen dat wat ik nu schrijf behoorlijk radicaal vind overkomen, vind je ook niet?
Dit zit allemaal achter mijn wens om de wet (wellicht voor een bepaalde tijd) uit de christelijke samenkomsten in de GKv te halen. Maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat áls de wet eruit gehaald wordt, de GKv dan weer zuiver zal zijn, of iets dergelijks. Daarvoor is het inderdaad een veel te onbelangrijk issue.

Met vriendelijke groet,
David

Hoi JW,

ik begrijp je punt en ben het daar ook mee eens. Ik begrijp alleen niet dat we als christenen ook het morele leven niet bij Jezus Christus en zijn onderwijs over het nieuwe leven beginnen.

Bovendien hebben christenen als Paulus en Petrus dat nieuwe leven prachtig uitgewerkt. En wat te denken van Jakobus? Wist je dat zijn brief boordevol en soms letterlijke verwijzingen staat naar Jezus’ bergrede (en dus niet naar de wet, wat je misschien wel van de Jood Jacobus zou verwachten)?

Natuurlijk is er principieel niets mis met de voorlezing van Gods goede wet, maar het voelt ongeveer aan alsof je in een oude BMW (de wet) blijft rijden, terwijl er een nieuwere en betere versie voor je klaarstaat (Jezus en zijn onderwijs) waarin je de
kenmerken van de eerste versie zult herkennen.

Jezus helpt ons duidelijker en beter op weg richting zelfreflectie dan de korte wet van zijn Vader.

Ik vraag me zwaar af of de jongste generaties kerkleden de ernst van Gods wet meemaken als hun de duidelijke en ernstige verdieping van die wet structureel onthouden wordt.

Voorbeeld: Weinig mensen plegen een moord of overspel (zesde en zevende gebod) en de voorlezing daarvan zal dus weinig mensen wat doen. Laat staan dat zij zich zullen verootmoedigen. Hoogmoed ligt eerder voor de hand.
Maar lees Jezus’ uitwerking hiervan in Matteüs 5, 21-30 en de hele kerk zal het schaamrood op de kaken krijgen. En zich hopelijk kleinmaken voor Jezus, hun Heer.

Matteüs 5, 21-30 21 Jullie hebben gehoord dat destijds tegen het volk is gezegd: “Pleeg geen moord. Wie moordt, zal zich moeten verantwoorden voor het gerecht.” 22 En ik zeg zelfs: ieder die in woede tegen zijn broeder of zuster tekeergaat, zal zich moeten verantwoorden voor het gerecht. Wie tegen hen “Nietsnut!” zegt, zal zich moeten verantwoorden voor het Sanhedrin. Wie “Dwaas!” zegt, zal voor het vuur van de Gehenna komen te staan. 23 Wanneer je dus je offergave naar het altaar brengt en je je daar herinnert dat je broeder of zuster je iets verwijt, 24 laat je gave dan bij het altaar achter; ga je eerst met die ander verzoenen en kom daarna je offer brengen. 25 Leg een geschil snel bij, terwijl je nog met je tegenstander onderweg bent, anders levert hij je uit aan de rechter, draagt de rechter je over aan de gerechtsdienaar en word je gevangengezet. 26 Ik verzeker je: dan kom je niet vrij voor je ook de laatste cent betaald hebt.
27 Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: “Pleeg geen overspel.” 28 En ik zeg zelfs: iedereen die naar een vrouw kijkt en haar begeert, heeft in zijn hart al overspel met haar gepleegd. 29 Als je rechteroog je op de verkeerde weg brengt, ruk het dan uit en werp het weg. Je kunt immers beter een van je lichaamsdelen verliezen dan dat heel je lichaam in de Gehenna geworpen wordt. 30 En als je rechterhand je op de verkeerde weg brengt, hak hem dan af en werp hem weg. Je kunt immers beter een van je lichaamsdelen verliezen dan dat heel je lichaam naar de Gehenna gaat.

Met vriendelijke groet,
David

In veel kerken wordt de wet niet meer wekelijks voorgelezen, wat nogal kwaad bloed kan zetten bij een deel van de gemeenteleden en bij menig kerkenraadslid die geen zin heeft om boze brieven te moeten beantwoorden of zelf geen weerwoord heeft, en zich daarom liever achter de uitspraak ‘Afspraak is afspraak’ lijkt te willen verbergen.

Zelf lees ik de wet liever ook niet voor als ik in een kerkdienst voorga. Dat heeft niets te maken met de wet an sich, want die is rechtvaardig, heillig en goed (Paulus). De reden dat ik de wet niet lees, komt hierop neer dat ik erop sta dat in een christelijke samenkomst Jezus Christus centraal staat.

Met de wekelijkse voorlezing van de wet wordt de indruk gewekt dat de mens zichzelf alleen door die woorden kan leren kennen. Omdat de wet tot de dood leidt (Paulus) komt de hoorder er via de wet telkens weer achter dat zijn eigen leven het eeuwige leven niet heeft. De wet schreeuwt daarom om Christus, op wie menig predikant na de voorlezing ook uit komt. Al gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat menig predikant het ook slechts bij Jezus’ samenvatting van de wet houdt of het gedeelte over Jezus en genade qua tijd en aandacht in schril contrast laat staan met die wet.
Zo wordt Jezus én de hoorders mijns inziens zwaar tekort gedaan.

Kritiek op het mijden van van de wetsvoorlezing is vaak dat de verootmoediging op de tocht komt te staan of wordt gebagatelliseerd. Die kritiek is eenvoudig te weerleggen.
De mogelijkheid tot verootmoediging valt of staat namelijk niet met het voorlezen van de wet. Iemand als Petrus is daar een voorbeeld van.
Toen Petrus nog maar net kennis had gemaakt met Jezus’ grootheid viel hij op zijn knieën en zei hij: “Ga weg van mij, Heer, want ik ben een zondig mens.” (Lucas 5,8)
Via Jezus leert de mens zichzelf net zo goed kennen – en nog beter ook!

Dat Paulus in zijn brief aan de Romeinen de wet gebruikt om zijn hoorders een spiegel voor te houden, heeft m.i. met die hoorders zelf te maken. Paulus schrijft zijn brief (hoofdzakelijk) aan Joden die zich bekeerd hebben tot het geloof in Christus, maar natuurlijk nog wel met de vraag zitten wat ze met die wet (en het Oude Testament en Israël) aan moeten.
Paulus legt in geuren en kleuren uit dat het met het oude verbond gedaan is zonder dat oude verbond af te kraken. Hij schat dat oude verbond op waarde om vervolgens het nieuwe verbond in Christus hoger te taxeren.

Met anderen zie ik daarom niet in dat Nederlandse christenen wekelijks via de Oudtestamentische weg naar Christus moeten komen. Wij zijn geen Joden, en hoeven ook niet in die cultuur te kruipen om ons klein te kunnen maken voor de Heer.
We hoeven niet elke week te ver in de jaartelling terug door ons steeds als Israëlieten voor te doen. We zijn Jezus-christenen en spiegelen ons graag aan hem.

(Dit probleem wordt de laatste jaren opgevangen door de wet op nieuwtestamentische wijze voor te lezen. Je bent niet uit Egypte bevrijd, maar in Christus verlost. Dat is al beter, maar een onnodige omweg.)

Nogmaals, de wet is goed en er moet dus ook gewoon – maar dat is op het hele Oude Testament van toepassing – over gemediteerd en gesproken worden. Ook Jezus schaft ‘m niet af. Hij verdiept hem juist door regelmatig te zeggen: “Er staat geschreven [...], maar ik zeg tegen jullie [...].”
Deze uitspraken bevestigen wat Jezus is komen doen. Hij verlaat de oude, bekende patronen (wat hem de kop kost) en zet zichzelf in het middelpunt van Israël en zelfs de wereld (wat mogelijkheid tot redding betekent, ook voor Nederlanders).

Door Jezus Christus wekelijks te ontmoeten en zijn uitspraken te overdenken, wordt de hoorder nog dieper geraakt. En dat is niet zo gek. Een leerling luistert liever naar en gehoorzaamt eerder zijn leraar dan een schoolreglement.