Nee. Laat ik maar meteen duidelijk zijn. God is niet toorn. Hij is (wel) liefde.
Net zoals hij ook niet in de Bijbel bekendmaakt dat hij duisternis is, maar (wel) licht.
Toch wordt in de Bijbel wel duidelijk dat God onnoemelijk kwaad kan zijn, bijvoorbeeld tijdens de zondvloed, de tien rampen over Egypte en de verbanning die Israël moest ondergaan. Ook kan God zich terugtrekken en complete duisternis veroorzaken. Het bekendste en meest indrukwekkende voorbeeld hiervan is de duisternis tijdens het sterven van zijn Zoon Jezus Christus aan een kruis op een heuvel: drie uur dikke duisternis.
Het is belangrijk om Gods toorn en duisternis niet aan zijn identiteit toe te schrijven. Alsof God verraderlijke of onbetrouwbare kanten zou hebben. De ene dag licht, de andere dag donker. Nu eens laat hij liefde zien en voelen, dan weer laat hij vanuit het niets zijn woede uitbarsten. Hij zou een God zijn die zijn eeuwige leven laat beheersen door onberekenbare, humeurige buien.
De Bijbel is gelukkig duidelijk: God is liefde. God is licht.
Hoe zit dat dan met die woede en die duisternis? Volgens mij zit het zo: Gods woede en duisternis zijn noodzakelijke uitingen van zijn liefde en zijn licht-zijn. Noodzakelijk bedoel ik dan op twee manieren.
1. Een God die zegt wel liefde te zijn, maar niet woedend kan worden, is geen God van liefde!
Als ik zeg van mijn zoontje Joram te houden, terwijl ik niet kwaad word en optreed als hij mijn waarschuwingen ondermijnt, hou ik niet van hem. Dan bestaat mijn liefde voor hem slechts uit zoetige woorden. Woede komt voort uit gekrenkte liefde. Zoals duisternis voortkomt uit ‘gekrenkt’ licht.
2. Als God niet kwaad kon zijn, zou ik nooit gered kunnen worden!
Stel je eens voor dat God mij liet begaan in m’n gebrekkige, zondige leventje. Dat hij vanuit ‘liefde’ zou zeggen: “Ach, laat David ook maar. Het zou zonde zijn om nog boos op hem te worden.”
Dan zou ik dus nooit bij God kunnen komen. Als God zijn woede om de zonde van de wereld in toom zou houden, had ik een groot probleem. God en mens zouden geen meter dichterbij elkaar kunnen komen.
Daarom is het kruis van Golgota, het noodzakelijke slotstuk van Jezus’ leven waarin hij namens God de zonde van de wereld draagt (dus ook die van mij), mijn geluk. Golgota is de tweede, noodzakelijke stap van God naar de mens. (De eerste stap is natuurlijk de incarnatie, Kerst: God als mens op aarde. De derde stap is Pasen, de dag waarop het nieuwe leven met die God begint, met Jezus als de eerste nieuwe mens!)
God is niet toorn op de wijze waarop hij liefde is. Hij is éérst liefde, daaruit volgt zijn woede. Liefde kan uitlopen op gekrenkte liefde. Andersom kan niet. Gekrenkte liefde kan uit zichzelf geen liefde worden. Een God die van zichzelf toorn is, kan nooit een God van liefde zijn of worden. Toorn is afhankelijk van liefde, liefde niet afhankelijk van toorn.
Hetzelfde geldt voor licht. Licht kan uit zichzelf duisternis worden (wanneer het dimt of uitdooft), maar duisternis kan vanuit zichzelf geen licht worden (daarvoor heb je een tweede (licht)bron nodig).
Daarom is God liefde, en licht.
Maar zonder zijn concrete, gekrenkte liefde zouden jij en ik een groot probleem hebben. Zonder zijn geuite woede zou geen mens gered kunnen worden.
Jesaja 63, 1-6 [met kort commentaar]
[Jesaja:] ‘Wie is het die uit Edom komt, uit Bosra,
in purper gekleed, met praal getooid,
die zich groots en machtig verheft?’
[De HEER:] Ik ben het die in gerechtigheid spreekt
en bij machte is te redden.
[Jesaja:] ‘Hoe komen uw kleren zo rood,
als de kleren van iemand die de wijnpers treedt?’
[De HEER:] Ik heb de perskuip alleen getreden,
geen van de volken hielp me daarbij. [We zijn van Gods gekrenkte liefde afhankelijk. Geen mens maakt zich kwaad mét hem.]
Ik trad hen in mijn woede,
vertrapte hen in mijn toorn.
Hun bloed bespatte mijn kleren,
al mijn kleren werden besmeurd. [Wij houden onszelf liever schoon; zien het mondiale probleem (van de zonde) niet in.]
Ik had besloten tot een dag van wraak,
het jaar van vergelding was aangebroken.
Toen zag ik dat er niemand was die hielp,
ik was geschokt dat niemand mij aanmoedigde.
Op eigen kracht bracht ik redding,
door mijn woede aangespoord. [Zonder die aansporing vanuit God zelf was ik verloren. God is gelukkig niet lui en gemakkelijk.]
Ik heb de volken in mijn woede vertrapt,
met mijn toorn heb ik hen dronken gevoerd. [Wie Gods liefde en redding niet wil, wil liever Gods woede drinken. Dit is de hel.]
Hun bloed liet ik op aarde neervloeien. [Wie Gods liefde en redding niet wil, wil niet leven. ESV: 'And I poured out their lifeblood on the earth.']