Nee. Laat ik maar meteen duidelijk zijn. God is niet toorn. Hij is (wel) liefde.
Net zoals hij ook niet in de Bijbel bekendmaakt dat hij duisternis is, maar (wel) licht.

Toch wordt in de Bijbel wel duidelijk dat God onnoemelijk kwaad kan zijn, bijvoorbeeld tijdens de zondvloed, de tien rampen over Egypte en de verbanning die Israël moest ondergaan. Ook kan God zich terugtrekken en complete duisternis veroorzaken. Het bekendste en meest indrukwekkende voorbeeld hiervan is de duisternis tijdens het sterven van zijn Zoon Jezus Christus aan een kruis op een heuvel: drie uur dikke duisternis.

Het is belangrijk om Gods toorn en duisternis niet aan zijn identiteit toe te schrijven. Alsof God verraderlijke of onbetrouwbare kanten zou hebben. De ene dag licht, de andere dag donker. Nu eens laat hij liefde zien en voelen, dan weer laat hij vanuit het niets zijn woede uitbarsten. Hij zou een God zijn die zijn eeuwige leven laat beheersen door onberekenbare, humeurige buien.
De Bijbel is gelukkig duidelijk: God is liefde. God is licht.

Hoe zit dat dan met die woede en die duisternis? Volgens mij zit het zo: Gods woede en duisternis zijn noodzakelijke uitingen van zijn liefde en zijn licht-zijn. Noodzakelijk bedoel ik dan op twee manieren.

1. Een God die zegt wel liefde te zijn, maar niet woedend kan worden, is geen God van liefde!
Als ik zeg van mijn zoontje Joram te houden, terwijl ik niet kwaad word en optreed als hij mijn waarschuwingen ondermijnt, hou ik niet van hem. Dan bestaat mijn liefde voor hem slechts uit zoetige woorden. Woede komt voort uit gekrenkte liefde. Zoals duisternis voortkomt uit ‘gekrenkt’ licht.

2. Als God niet kwaad kon zijn, zou ik nooit gered kunnen worden!
Stel je eens voor dat God mij liet begaan in m’n gebrekkige, zondige leventje. Dat hij vanuit ‘liefde’ zou zeggen: “Ach, laat David ook maar. Het zou zonde zijn om nog boos op hem te worden.”
Dan zou ik dus nooit bij God kunnen komen. Als God zijn woede om de zonde van de wereld in toom zou houden, had ik een groot probleem. God en mens zouden geen meter dichterbij elkaar kunnen komen.
Daarom is het kruis van Golgota, het noodzakelijke slotstuk van Jezus’ leven waarin hij namens God de zonde van de wereld draagt (dus ook die van mij), mijn geluk. Golgota is de tweede, noodzakelijke stap van God naar de mens. (De eerste stap is natuurlijk de incarnatie, Kerst: God als mens op aarde. De derde stap is Pasen, de dag waarop het nieuwe leven met die God begint, met Jezus als de eerste nieuwe mens!)

God is niet toorn op de wijze waarop hij liefde is. Hij is éérst liefde, daaruit volgt zijn woede. Liefde kan uitlopen op gekrenkte liefde. Andersom kan niet. Gekrenkte liefde kan uit zichzelf geen liefde worden. Een God die van zichzelf toorn is, kan nooit een God van liefde zijn of worden. Toorn is afhankelijk van liefde, liefde niet afhankelijk van toorn.
Hetzelfde geldt voor licht. Licht kan uit zichzelf duisternis worden (wanneer het dimt of uitdooft), maar duisternis kan vanuit zichzelf geen licht worden (daarvoor heb je een tweede (licht)bron nodig).
Daarom is God liefde, en licht.

Maar zonder zijn concrete, gekrenkte liefde zouden jij en ik een groot probleem hebben. Zonder zijn geuite woede zou geen mens gered kunnen worden.

Jesaja 63, 1-6 [met kort commentaar]

[Jesaja:] ‘Wie is het die uit Edom komt, uit Bosra,
in purper gekleed, met praal getooid,
die zich groots en machtig verheft?’
[De HEER:] Ik ben het die in gerechtigheid spreekt
en bij machte is te redden.
[Jesaja:] ‘Hoe komen uw kleren zo rood,
als de kleren van iemand die de wijnpers treedt?’
[De HEER:] Ik heb de perskuip alleen getreden,
geen van de volken hielp me daarbij. [We zijn van Gods gekrenkte liefde afhankelijk. Geen mens maakt zich kwaad mét hem.]
Ik trad hen in mijn woede,
vertrapte hen in mijn toorn.
Hun bloed bespatte mijn kleren,
al mijn kleren werden besmeurd. [Wij houden onszelf liever schoon; zien het mondiale probleem (van de zonde) niet in.]
Ik had besloten tot een dag van wraak,
het jaar van vergelding was aangebroken.
Toen zag ik dat er niemand was die hielp,
ik was geschokt dat niemand mij aanmoedigde.
Op eigen kracht bracht ik redding,
door mijn woede aangespoord
. [Zonder die aansporing vanuit God zelf was ik verloren. God is gelukkig niet lui en gemakkelijk.]
Ik heb de volken in mijn woede vertrapt,
met mijn toorn heb ik hen dronken gevoerd. [Wie Gods liefde en redding niet wil, wil liever Gods woede drinken. Dit is de hel.]
Hun bloed liet ik op aarde neervloeien. [Wie Gods liefde en redding niet wil, wil niet leven. ESV: 'And I poured out their lifeblood on the earth.']

Gisteravond sprak ik met twee jonge twintigers over de hemel en de hel. Dat vind ik namelijk een fascinerend onderwerp. Vooral omdat ik via Tim Keller en zijn boekje ‘De vrijgevige God’ heb mogen ontdekken dat de meeste christenen geen Bijbels maar een nogal middeleeuws beeld van de hemel en, vooral, de hel hebben.

Ik denk dat de meeste christenen het op deze manier vóór zich zien: na je overlijden kom je voor God te staan. Deze God staat op een T-splitsing. Hij kijkt je aan, stelt je misschien een vraag (”Hoe gedroeg je je in het leven?” of: “Wat was je laatste daad?” of: “Op grond waarvan moet ik je in mijn hemel toelaten?” of: “Zeg ‘t maar, waar wil je heen?”), maar hij wijst je in ieder geval al snel door naar links (de hel) of naar rechts (de hemel). En daar ga je dan; óf je belandt in een toestand van eeuwig geluk óf in een toestand van eeuwige pijn in vuur en vlammen.

Toen we het hierover hadden, zei een van de twee jongeren op een gegeven moment tegen me: “Ja, maar dat is wel heel simpel zo. Iederéén wil toch naar de hemel?! Wie wil er nu naar de hel?”

Waarop ik zei: “Nou, er zijn genoeg mensen die liever naar de hel dan naar de hemel willen! Let op, ik zeg niet: er zijn genoeg mensen die naar de hel gáán of gestuurd worden, maar genoeg mensen die liever in de hel (dat is: buiten de hemel) willen blijven staan!”
En ik vervolgde: “En je herkent die mensen hier op aarde al snel.”
Ik zag de verbazing in de ogen.

En dus openden we de Bijbel. Bij het beroemdste verhaal van Jezus dat in de Bijbel staat. Het verhaal over de verloren zoons in Lucas 15, 11-32.

We kwamen na een halfuur tot de volgende conclusie: mensen die in de hel gekweld worden, zijn die mensen die niet thuis bij God de Vader willen komen. Ze willen liever buiten blijven.
En wel om de volgende redenen:

1. Ze zoeken het geluk liever buiten God hun Vader en zijn thuis.

Lucas 15, 11-13

Vervolgens zei Jezus: ‘Iemand had twee zonen. De jongste van hen zei tegen zijn vader: “Vader, geef mij het deel van uw bezit waarop ik recht heb.” De vader verdeelde zijn vermogen onder hen. Na enkele dagen verzilverde de jongste zoon zijn bezit en reisde af naar een ver land, waar hij een losbandig leven leidde en zijn vermogen verkwistte.

2. Ze wantrouwen de goedheid van God hun Vader, vanuit de gedachte het zoon-zijn zelf te moeten verdienen.

Lucas 15, 17-19

[Na ellende kwam de zoon] tot zichzelf en dacht: De dagloners van mijn vader hebben eten in overvloed, en ik kom hier om van de honger. Ik zal naar mijn vader gaan en tegen hem zeggen: “Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u, ik ben het niet meer waard uw zoon genoemd te worden; behandel mij als een van uw dagloners.”

3. Ze worden woedend om de goedheid van God hun Vader.

Lucas 15, 25-28a

De oudste zoon was op het veld. Toen hij naar huis ging en al dichtbij was, hoorde hij muziek en gedans. Hij riep een van de knechten bij zich en vroeg wat dat te betekenen had. De knecht zei tegen hem: “Uw broer is thuisgekomen, en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht omdat hij hem gezond en wel heeft teruggekregen.” Hij werd woedend en wilde niet naar binnen gaan [...]

4. Ze veroordelen de goedheid van God hun Vader, vanuit de gedachte het zoon-zijn zelf te moeten verdienen en daar recht op te hebben.

Lucas 15, 29a

De oudste zoon zei tegen zijn vader: “Al jarenlang werk ik voor u en nooit ben ik u ongehoorzaam geweest als u mij iets opdroeg [...]“

5. Ze veroordelen de goedheid van God hun Vader, omdat ze nooit ontdekt en ervaren hebben dat hun Vader altijd al onvoorwaardelijk goed voor hen is geweest.

Lucas 15, 29b-30

“… en u hebt mij zelfs nooit een geitenbokje gegeven om met mijn vrienden feest te vieren. Maar nu die zoon van u is thuisgekomen die uw vermogen heeft verkwanseld aan de hoeren, hebt u voor hem het gemeste kalf geslacht. Zijn vader zei tegen hem: “Mijn jongen, jij bent altijd bij me, en alles wat van mij is, is van jou.”

A. Wil iedereen naar de hemel?
Nee. Want de hemel, het Bijbelse paradijs, is daar waar God (je Vader) is.
- Lang niet iedereen wil er aan geloven dat alleen God zélf hun thuis en hun eeuwig geluk en hun Vader is.
- Lang niet iedereen kan leven met God de Vader die onvoorwaardelijk liefdevol is; een Vader die geen geestelijke prestaties of vergeven (laatste) daden als voorwaarde voor je redding vraagt (’Maar ik moet toch bidden en trouw naar de kerk gaan en op tijd om vergeving vragen?’ Nee, Jezus laat overduidelijk zien dit je geestelijke gedrag niets toevoegt, hélémáál niets toevoegt aan je redding!)
- Lang niet iedereen kan tegen de smalle weg naar God, de weg van genade. De brede weg van zelfrechtvaardiging vindt de mens veel aantrekkelijker.
- Lang niet iedereen kan tegen een Vader die op losers afrent, hen omhelst, ervoor kiest zelf hun schuld op te vangen via (mede)lijden, hen vergeeft en vervolgens uitgebreid met hen gaat zitten eten en lopen dansen. (’Je denkt toch niet dat ik eeuwig met die en die ‘heiden’ ga zitten feestvieren?!’).
- Lang niet iedereen kan het aan dat hij of zij een zoon of dochter van Vader is – zij doen hun leven lang niet anders dan zich uit te sloven een kind van hun Vader te worden.

B. Maar de hel is toch een straf van God?
Ja, het is een ’straf’ voor trotse mensen die om stuk voor stuk egocentrische redenen het buiten verkiezen boven het binnen-zijn bij hun liefdevolle God en Vader. ‘Hij werd woedend en wilde niet naar binnen gaan.’

PS. Er is geen mens op deze wereld die zichzelf niet (ten dele) zal herkennen in deze trots, dit egocentrisme en een grove onderschatting van Gods vaderliefde. Daarom raad ik iedereen aan genoemd boekje aan te schaffen en nauwkeurig te lezen. Tim Keller schrijft het veel duidelijker, uitgebreider en mooier op dan ik in dit blog heb gedaan.
Het is goed nieuws, ook voor (verstokte) christenen die in geestelijke zin snakken naar lucht en liefde.

Als een christen gevraagd zou worden of hij rust in zijn leven ervaart, zou hij er moeite mee kunnen hebben om daarop een kort en bondig antwoord te geven.
Je kunt namelijk antwoorden met zowel ja als nee.

Wie ‘ja’ zegt bedoelt waarschijnlijk te zeggen dat hij rust vindt bij Jezus Christus, zijn Heer en redder. Deze Jezus heeft namelijk zelf gezegd dat je met al je lasten en zorgen bij hem mag komen, “dan zal ik je rust geven”.

Maar ik kan me ook voorstellen dat je de vraag ontkennend beantwoordt. En je zult zeggen: “Zolang ik nog niet in Gods koninkrijk ben, niet bij de koning, niet bij Jezus en God zelf, leef ik een rusteloos leven. Ik heb geen rust. Daarvoor grijpt me veel teveel in dit leven aan.”
Hoewel zo’n iemand niet ontkent rust te vinden bij Jezus Christus, wordt zijn of haar leven gekenmerkt door een rusteloze opeenstapeling van gebeurtenissen waaraan geen eind lijkt te komen.
Ik denk dat iedereen wel mensen uit zijn buurt kent die zo ongelooflijk veel meer te verduren krijgen dan jijzelf.
De laatste tijd hoor ik niets anders dan kankergevallen, vroeg overlijden, amputaties en andere verschrikkelijke gevallen van pijn, ziekte en dood.

Ik kan begrijpen dat je je dan rusteloos voelt. En hoewel je gelooft in en bouwt op Jezus Christus, de goddelijke rust in levende lijve, verlang je rusteloos naar het signaal van God.
Zoals een voetballer die op zich lekker in z’n vel zit – van binnen rust heeft – in een bepaalde wedstrijd waarin hij tot op het gaatje moet gaan verlangend uitkijkt naar het rustsignaal. “Scheids, is het al tijd?”

Misschien kun je, als het leven je zwaar valt, het christelijk leven nog het beste omschrijven als een leven waarin je zonder rust naar rust verlangt.

Het goede nieuws is dat er een God is die deze onrust niet afkeurt. Alsof hij zou zeggen: “Zeur niet, ik ben er toch. Vind je rust gewoon in mij!” Hij wil wel dat iedereen deze onrust van tijd tot tijd voelt. In die zin gunt hij niemand in deze wereld rust. Rust met die wereld, alsof er niets met die wereld aan de hand is.

Tegelijkertijd is hij een God die met me meedoet. Hij verlangt net zo goed als ik naar een tijdperk van rust: de definitieve doorbraak van zijn koninkrijk dat met de komst van Jezus Christus al in het klein (maar door grootse daden) werd uitgetekend. Die God zal niet rusten voordat hij dat mondiale signaal aangeeft.
En dan is het voor hen die in Jezus geloven geen rust-, maar een eind- en een doorstartsignaal.

Ik geloof in een God die iets groots aan het voorbereiden is. Dat maakt me én rustig (in hem) én rusteloos (zowel om deze wereld als van verlangen).

Jesaja 62, 6-7

Jeruzalem, ik [de HEER] heb wachters op je muren gezet
die nooit zullen zwijgen, dag noch nacht.
Jullie die een beroep doen op de HEER,
gun jezelf geen rust
en gun hem evenmin rust
,
totdat hij Jeruzalem weer heeft gegrondvest
en haar roem op aarde heeft bevestigd.

Hoewel met grote, grote tegenzin heb ik vanavond besloten om alle reacties n.a.v. de rouwsamenkomst van vrijdag 29 januari 2010 te verwijderen.

Ik vind namelijk nog steeds dat deze website een plek moet zijn waarin alles gezegd moet kunnen worden. Toch heb ik gemeend, al kan ik het niet naar tevredenheid onderbouwen, om in dit bijzondere geval de enkele kwetsende reacties met de nodige reacties daarop te verwijderen.
Natuurlijk had ik alle eerdere en overige reacties kunnen laten staan, maar ik heb besloten deze reacties maar te verwijderen en de blog met de meditatie vanaf vandaag vrij te houden van reacties.

Misschien had ik eerder tot deze actie moeten overgaan, misschien maak ik hiermee wel een grove communicatiefout omdat ik nu niet iedereen een stem laat hebben.
Toch verlies ik hier in christelijke zin niets mis mee, omdat ik aan deze website – als het eropaan komt – net zo veel waarde hecht als aan een vuilniszak vol rommel.

Toch ga ik er vrolijk mee door.

PS. Ik wil u vragen ‘de zaak’ nu te laten rusten.

Vooral de Marokkaanse jongens met wie ik samen bij IJsselmeervogels voetbalde, zeiden het. Als ze iets heel serieus meenden. Dan keken ze je met grote ogen aan, en zeiden met die herkenbare tongval: “Echt, ja echt, ik zweer het jongen!”

Zweren. Ik doe dat zelf nooit. Vroeger mocht het ook niet, weet ik nog. Zweren is namelijk iets dat aan God overgelaten moet worden.
Waarom dat zo is weet ik niet, maar feit is in ieder geval dat God de HEER inderdaad veel zweert.

Er duikt wel meteen een probleem op, want als je zweert moet je te rade gaan bij iets wat groter dan jezelf is. Zoals de oude Grieken bij hun god Zeus of de Romeinen bij Jupiter zweerden.
Die Marokkaanse ploeggenoten zweerden bij zichzelf. Daarom nam ik hun eed ook nooit serieus. Zij zelf waarschijnlijk ook niet, denk ik. Het is gewoon een ‘bastaardeed’, zoals we in Nederland bastaardvloeken kennen. Nietszeggend taalgebruik.

Maar God, bij welke hogere god of instantie zou hij moeten zweren? Dat kan hij dus niet.
En dus zweert hij – als de goddelijke Marokkaan – bij zichzelf. En dat is dus eng. Want als hij ook maar één keer zijn eed breekt, is hij meteen God-af. Niet meer te vertrouwen ook.

Hebreeën 6, 13

Toen God aan Abraham zijn belofte deed, kon hij bij niemand zweren die hoger was dan hijzelf, en dus zwoer hij bij zichzelf…

Soms zweert de HEER wat concreter. Niet – wat vaag – bij zichzelf, maar bij iets wat onlosmakelijk bij hem hoort: zijn rechterhand en zijn arm. (Dat las ik gisteren.)

Jesaja 62, 8a

De HEER heeft gezworen bij zijn rechterhand
en bij zijn sterke arm…

Wat betekent dat? Volgens mij wil God daarmee het volgende zeggen: “Beste mensen van wie ik hou, als ik ook maar één keer mijn belofte of eed breek, dan hak ik mijn rechterhand, mijn goeie, eraf!” En ook dat is een manier om te zeggen dat hij dan God-af is.
Vleugellam. Onvolmaakt. Afhankelijk.

Ook zegt hij daarmee. “Als ik iets bij mijzelf en dus ook bij mijn rechterhand en arm zweer, draag ik jullie op om goed te kijken. Goed naar die hand te kijken. Let op wat ik jullie geef.
Elke keer als je iets van me krijgt, of het nu eten is, of drinken, of genade, of vergeving, of mooi weer, of vriendelijkheid, of een levensmaatje… elke keer moet je daar mijn rechterhand en sterke arm in zien.”

Gods hand blijft zich openen, en zijn arm blijft zich uitstrekken. In de tijd van Israël al, maar sinds de komst, dood, opstanding en hemelvaart van zijn Zoon Jezus Christus nog altijd. Niet voor niets wordt al eeuwen beleden dat Jezus bij zijn komst in de hemel aan Gods rechterhand heeft plaatsgenomen. Vanaf die plaats, die goede onverwoestbare plaats, deelt hij nog steeds van alles uit wat ik nodig heb: zijn nabijheid, zijn Geest, tijd, zuurstof, zonlicht, ons dagelijks brood, enzovoort enzovoort.

Wat een tekst, Jesaja 62, 8-9!

Jesaja 62, 8-9

De HEER heeft gezworen bij zijn rechterhand
en bij zijn sterke arm:
‘Nooit meer geef ik jullie graan
aan je vijanden te eten,
nooit meer zullen vreemdelingen de wijn drinken
waarvoor jullie je hebben afgemat.
Zij die het graan oogsten, zullen er ook van eten
en ze zullen de HEER erom prijzen;
zij die de druiven plukken, zullen ervan drinken
in de voorhoven van mijn heiligdom.’

PS. Mochten er nog mensen aan twijfelen of er alcohol bij God te krijgen is, dan raad ik u aan bovenstaande laatste 2 regels 10 keer achter elkaar te lezen.
Laat ook heerlijk landen wáár die wijn genuttigd wordt.
Ik zie het al voor me. Dat we uit de rechterhand van de HEER een gloednieuwe, ongeëvenaarde, hemelse wijn krijgen aangeboden. Hij zweert dat het gaat gebeuren!

God zelf biedt me in zijn Woord een manier aan om de hoop die christenen hebben aantrekkelijk concreet te houden.

Stiekem afgeluisterd. Top secret!

Br. A: Zo, broeders, we zijn bij Opwekking 599 aanbeland. Wat vinden jullie van dat lied?
Br. B: Nou, mooie melodie. Ja, op zich wel aardig…
Br. A: Maar?
Br. B: Maar het komt toch wel wat remonstrants op mij over.
Br. C: Hoezo, broeder?
Br. B: Nou, dat zinnetje ‘Hij wacht alleen nog maar totdat jij komt’ zint me niet zo.
Br. A: Hm… nou je het zegt. Zo staat de keuze van de mens natuurlijk veel te centraal hè?
Br. B: Zo is het. Het is juist gereformeerd om te zeggen dat God máákt dat wij naar hem toekomen?
Br. A: Dat lijkt me correct, broeder. Dát is het evangelie zoals het al eeuwen in onze belijdenisgeschriften is opgetekend, is het niet?

[Beide andere broeders knikken instemmend. Er volgt een stilte, en na een tijdje:]

Br. C: Aan de andere kant… in de gelijkenis van de Verloren Zoon wordt wel degelijk duidelijk dat de vader aan het wachten is. En ik heb niet het idee dat de vader máákte dat zijn zoon thuiskwam. Hij haalt zijn zoon niet in het buitenland op of iets dergelijks.
Br. A en B [geschrokken] Warempel, dat is waar ook! Wat nu, broeders?
Br. C: We zouden dit lied gewoon kunnen overslaan, en doen alsof onze neuzen even bloedden?
Br. A: Nee, dat valt op een gegeven moment teveel op. Laten we dat bij het gemiddelde van eenmaal per 15 liederen houden.

[Stilte, na een tijdje:]

Br. B: Ik heb een idee!
Br. A: Vertel op!
Br. B: Als we nu eens zouden voorstellen om dit lied alleen in vriendendiensten te zingen, waarin veel niet-christenen zitten die zich zullen herkennen in de verloren zoon?
Br. C: Ja, maar [hm] maak je dan geen onterecht onderscheid tussen gemeenteleden en mensen buiten de kerk? Alsof niet-christenen wél zelfstandig een geloofskeuze moeten maken en wij, gemeenteleden, níet.
Br. B: Beste broeder, wij horen toch bij het uitverkoren verbondsvolk, wij hoeven ons toch niet met de verloren zoon te identificeren?!
Br. C: [na enige aarzeling] O ja, dat is ook zo. Nu je het zegt. Inderdaad, ik herken mezelf eerlijk gezegd ook nooit in die verloren zoon…
Br. B: Nou, ik ook niet.
Br. A: Ik ook niet.

[Korte stilte, daarna:]

Br. B: Nou, zullen we het dan zo afspreken? Opwekking numero 599 laten we niet in de reguliere diensten zingen, maar we staan wel toe dat hij in andersoortige diensten met het oog op gasten gezongen wordt.
Br. A: Ik vind dat een weloverwogen beslissing, broeder.

[Stilte, na enige tijd:]

Br. C: Bij nader inzien heeft dit lied trouwens ook wel prachtige trekken van Psalm 139. En het vertelt ook prachtig over Gods onvoorwaardelijke liefde. En ongelooflijk, ik merk er heel mooi het plaatsvervangend verlossingswerk van Jezus Christus in op.
Br. A en B [in koor, verontwaardigd]: Genoeg broeder!

[Br. C zwijgt, z'n hoofd voorover gebogen. Daarna kijkt hij met betraande ogen zijn collega's aan.]

Br. B: En zie ik nu echt dat het lied je nog ontroert ook?! Kom op zeg! Wèl je hele leven met droge ogen de 150 prachtige psalmen zingen, en dan hier een potje gaan zitten janken na één liedje?
Br. C: Sorry, maar de tranen kwamen gewoon opzetten.
Br. A: We hebben besloten. Zo blijven we bezig, zeg! Nummer 600 is aan de beurt. Heeft iemand daar misschien een mening over?

Beste mensen,

natuurlijk heb ik er even over gedacht om alle ingestuurde reacties van m’n site te verwijderen. Verschillende mensen hebben daarop bij mij, zowel publiek als anoniem, aangedrongen. De diepste reden waarom ik dat ook werkelijk zou doen is dat het religieuze sensatiezucht in de hand werkt. Je weet wel, zoals het Nederlands Dagblad zich als het religieuze equivalent van RTL-Boulevard presenteert. Lekker de zaken ophitsen met schreeuwerige en rellerige koppen, natuurlijk om de discussie alvast aan te zwengelen en in-de-pen-klimmers te trekken voor de opiniepagina de dagen daarop.
Het aantal bezoekers van deze site is in de afgelopen week verdrievoudigd. Ik vermoed ook vanwege de flauwe sensatie.

De reden dat ik de reacties heb laten staan is dat ik deze site niet wil opwerpen als een soort vervanging van de kerken. Alsof ik hier de GKv vertegenwoordig. Alsof ik u verantwoording schuldig ben. Alsof ik hier een dominee in functie ben. (Al wás ik het, dan nog zou ik alles plaatsen, hoe graag mensen me ook in een overzichtelijk en bekend (vrijgemaakt) hokje willen plaatsen of zien. U doet uw best maar, het lukt u toch niet. Het lukt me mezelf niet eens, al schijn ik geschaard te kunnen worden onder de ‘evangelical-protestants’ waarmee ik overigens prima kan leven.)
Ook kan, wil en moet ik niet bepalen hoe eventuele lompe reacties bij derden overkomen.

Dit is een site waarop ik mijn bedenksels en preken publiceer. Wat u daarvan vindt – of u mij nou een gemene wolf, een vrolijk of juist dwars schaap, of een heerlijke herder vindt – zal me een zorg zijn. Doet me ook niks. Al laten sommigen schrijnend blijken goede tegenhangers te zijn van de klini-clowns. ‘Dames en heren, mag ik aan u voorstellen: de grefo-pipo’s!’ Zet ze op een podium, laat ze elkaar vrijgemaakte vliegen afvangen, en het kerkelijk publiek ligt in een deuk.

Wat er natuurlijk wel gebeurt is dat er zich een geestelijke (!) scheiding aan het voltrekken is tussen mensen. En hoewel Paulus oproept om te allen tijde de eenheid te zoeken, vind ik dit in dit geval een goede ontwikkeling. Want de GKv zijn al jaren geen eenheid meer, zijn dat vanaf het begin ook niet op geestelijke wijze geweest. De ware-kerk-gedachte van weleer was wel duidelijk en wellicht fijn, maar is niet op Bijbelse gronden te verdedigen.
Maar geen paniek, de GKv hoeven ook niet een op zichzelf staande eenheid te zijn. Zoiets afgebakends en controleerbaars bestaat niet, is ook niet iets om naar te streven.

Verkondig als predikers ‘gewoon’ het evangelie van Jezus Christus, in al haar eenvoud, schoonheid, ernst en goedheid. Dan merk je vanzelf wel hoe mensen daarop reageren.
Ik zou me als prediker ernstig zorgen maken wanneer er in mijn gemeente van 200/300/400 man geen scheiding ontstaat na mijn preken. Want het gaat er bij mij niet in dat er binnen de GKv in de afgelopen decennia overal christelijke eenheidsgemeentes zijn ontstaan én gebleven. Ik vermoed eerder veel bijgeloof, kleingeloof en ongeloof aan te treffen.

Ook vermoed ik dat menig predikant een sfeer van pappen-en-nathouden in stand heeft gehouden. En dat moet een keer ophouden en openbarsten. Veel mensen zijn flauw of ziek van die nietszeggende sfeer, het vaak totale gebrek aan Godsvertrouwen (zie kerkelijke omgang met Mexicaanse Griep), het structureel afkappen of overgenuanceerd evalueren van mooie initiatieven, en het totale gebrek aan relevant en betrokken kerk-zijn.
Let op, ik hoop natuurlijk niet op nieuwe kerkgemeenschappen. Echt, het gedrag van de nieuwe vrijgemaakten en dat van al die andere angstige predikers die ‘eruit’ gaan ‘omdat ze zich niet meer in de GKv kunnen herkennen’, verfoei ik. En dat zouden meer mensen moeten doen. Ik vind dat mensen zonder karakter, mensen met een absurd, eng en versmald wereld- en kerkbeeld. Zo ongelooflijk zielig.

Wie Christus preekt, zal merken dat er een scheiding optreedt. Anders gezegd: in gemeentes waarin de lieve vrede heerst, wordt Christus niet gepreekt.
We hoeven m.i. niet de schijn op te houden dat Christus gesettelde kerkmensen niet meer boos en opstandig maakt of hun verborgen angsten niet aan de oppervlakte brengt, omdat deze mensen lid zijn (geworden) van een GKv-gemeente. Alsof een kerk(verband) op zich, welke het ook maar is, mensen tegen de kracht van Christus’ Geest ‘beschermt’ en deze Geest hen, omdat ze ‘binnen’ zouden zijn, niets meer doet.
Ook mensen binnen de GKv kunnen (wellicht ongemerkt) kiezen voor het duistere leven van satan.

Als prediker heb ik mezelf en anderen op dit laatste te wijzen. Want het zou zomaar kunnen zijn dat u in uw ‘geestelijk’ leven eerder in het duister dan in het licht blijkt te leven. De Geest vraagt ons in ieder geval steeds om Jezus-christelijke keuzes te maken, niet om vrijgemaakte denk- en doekaders in stand te houden.
Wie dit laatste niet aan kan, heeft een probleem. Maar zadel mij of anderen alsjeblieft niet met uw problemen op. U moet veranderen, niet uw ‘vijanden’. Als u niet buiten in de heerlijke zon (van Christus) wilt staan, moet u dat zelf weten. Maar draag mij en anderen niet op met u naar binnen te keren.

Ik geloof in de eenheid van door Christus geheiligde mensen, niet in de eenheid van de GKv op zich.

Praktijkvoorbeeld 1
Vorig jaar hoorde ik een predikant uit de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (GKv) die ergens in een dorp naar eigen zeggen “goed bezig” is, het volgende zeggen: “Ik ben nu een tijdje bezig in mijn gemeente, en ik merk dat er een beweging op gang komt. Ik merk in de gemeente geestelijke groei, missionair verlangen en een groter geloof.
Maar weet je waar ik zo van baal? Dat er naast mij ook andere predikanten komen preken, die al het opgebouwde werk neer lijken te halen. Zoals laatst bijvoorbeeld. Hebben we net een mooie prekenserie over genade achter de rug, fietst er zo’n typisch vrijgemaakte dominee langs die Gods genade klein(er) maakt, of – nog erger – die genade stiekem/impliciet afhankelijk maakt van onze daden!
Dan heb ik het gevoel al m’n werk voor niets te hebben gedaan!”

Praktijkvoorbeeld 2
Vandaag kreeg Margreet een ‘Handreiking voor een evenwichtige plek voor ‘Opwekking’ in de liturgie’ uit de kerk mee. Daarin wordt door een daarvoor aangestelde groep GKv’ers (het zogenaamde Deputaatschap Kerkmuziek) redelijk uitgebreid betoogd op welke criteria sommige Opwekkingsliederen wel en andere niet worden geselecteerd.
We moeten er bijvoorbeeld op bedacht zijn dat de liederen niet om ons gevoel en onze vroomheid draaien. Ook hebben we te waken voor ‘onbijbelse overwinningstheologie’ en tenslotte moeten we het gevaar van ‘remonstrantse invloeden’ niet onderschatten, ‘alsof het draait om de keuze van de mens’.
En dus is er nu ongeveer 15% van het aantal Opwekkingsliederen goedgekeurd om in de GKv gezongen te worden.

Ik moet om beide bovenstaande voorbeelden vooral glimlachen. Vooral het tweede voorbeeld is niets anders dan cabaret. Oké, een behoorlijk misplaatst cabaret inclusief een grote portie plaatsvervangende schaamte, maar toch.

Het eerste praktijkvoorbeeld vind ik getuigen van grove zelfoverschatting en controledwang. Maar vooral is het totale onderschatting van Gods krachtige Geest. Alsof mensen in een kerkelijke gemeente anno 2010 niet zelf kunnen aanvoelen en bepalen of er wel of geen evangelie is verkondigd. (Tip: kijk gewoon naar de gezichten van kerkgangers als ze de kerk uitlopen, of luister naar hun gesprekken na een kerkdienst. Ik denk zelfs dat de tijd van het napraten in de kerkhal of op het -plein veel zegt over het uur daarvóór. Zoals het ook in een voetbalkantine drukker is na een overwinning van de thuisploeg; daar moet uitgebreid op gedronken worden!)

Mijn eerste vraag is: waarom en waarvoor zou je als prediker bang zijn? Juist als je een gemeente voor je ogen geestelijk ziet groeien, ben je toch niet bang dat de boom omvalt als er toevallig een paar lompe bouwvakkers langskomen die geen verstand van de natuur blijken te hebben?
Wees niet bang. We leven echt niet meer in de voorbije eeuwen waarin het gros van de kerkmensen als een stel ongeschoolde, ongeletterde en onderontwikkelde kleuters alles voor zoete koek slikt.
Ik ben ervan overtuigd dat de meeste christenen in de GKv zélf christen (kunnen) zijn.

Het tweede voorbeeld getuigt van typisch vrijgemaakte haarkloverij, zuinigheid, nattevingerwerk en – ja hoor, daar duikt hij weer op – angst. Angst om mensen voor het hoofd te stoten, wanneer een lied niet helemaal strookt met de gereformeerde dogmatische beginselen. Angst voor ruzies, scheve gezichten en boze brieven aan de kerkenraden. Angst om de bordjes zo nu en dan heerlijk scheef te hangen. Angst voor geestelijke dynamiek en spanning. Angst voor misverstanden.

En ja, dan krijg je dus onbegrijpelijke gedachtekronkels als dit voor je kiezen: een werkelijk prachtig lied als ‘Nog voordat je bestond, kende hij je naam’ (Opwekking 599) is niet geselecteerd omdat het – dogmatisch bekeken – niet ‘hij wacht alleen maar totdat je komt’ moet zijn, maar ‘God máákt dat je komt’.
Hier spreekt het grote theologische geweten, dat logischerwijs wel moet kunnen spreken maar zeker niet moet regeren. Het geweten heeft namelijk ook de neiging erg beklemmend te werken.

Mijn tweede vraag, naar aanleiding van beide voorbeelden, is: waarom bestaat deze (liturgische) controlfreakerigheid nog altijd in de GKv? Natuurlijk, ik weet wel waar deze controledwang vandaan komt – hij zit ons sinds ‘44 in de genen -, maar ik begrijp niet waarom we er nog steeds niet afscheid van hebben willen nemen. Juist op synodaal niveau.

Ik vermoed dat de synode en dergelijke deputaten hun ‘publiek’ structureel als infantielen en domme kleuters beschouwen die zich om het minste of geringste het lazarus schrikken, bang worden en wegvluchten.
En daarom schrijven synode en deputaten ons als een stel kleuterjuffen nog steeds van alles voor, tot aan de liedjes die we wel of niet mogen zingen toe. Dit alles onder het mom van ‘evenwichtigheid’ en ‘afgewogen beslissingen’.
En ik denk: Jammer… de bepalende mannen van de GKv denken nog steeds niet volwassen. En laten het gewone kerkvolk niet volwassen wórden. (Leer toch van de apostelvergadering in Handelingen 15, zou ik willen zeggen. Daar werd geestelijk beleid gemaakt, daar werd geregeerd.)

En nu ga ik weer in de blokkenhoek spelen. Als dat mag natuurlijk. Juf, waar bent u?!