Preken valt me regelmatig behoorlijk zwaar. Dat komt natuurlijk in de eerste plaats door de inhoud die door Jezus zelf wordt gekenmerkt als een scherp, tweesnijdend zwaard (vgl. Openbaring 1, 16). Praten over voetbal, eten, kleding en het weer is een simpel en pijnvrij gebeuren. Maar komt Jezus en het koninkrijk van zijn Vader aan de orde, dan weet ik bij voorbaat al dat de poppen gaan dansen.
Dat komt dan ook in de tweede plaats. Preken voor mondige hoorders is aan de ene kant leuk (en beter dan vroeger, lijkt me) maar het vermoeit ook enorm.
Wat dat betreft lijkt het me gemakkelijker om te preken in nieuw op te richten gemeentes dan in de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt. Nieuwe hoorders zijn in tegenstelling tot een (groot?) deel van de GKv’ers niet of minder voorgesorteerd en vooringenomen, en waarschijnlijk dus ook ontvankelijker en nieuwsgieriger.
In ieder geval vind ik het heerlijk om vanuit niet-christelijke kant niet de verwachte opmerkingen en vragen te krijgen. Houd een (spannende) preek in de GKv, en je weet bij voorbaat wat soort reacties je krijgt. (Krijgt een prediker nooit reacties, dan weet hij dus waaraan dat ligt.)
Ik vind het fijn om opbeurende en positieve reacties te krijgen. Dat gebeurt natuurlijk ook.
Andersoortige reacties die ik krijg, zijn alsvolgt te onderscheiden:
1. Dogmatische kanttekeningen. Wanneer ik de bordjes al dan niet bewust scheef ophang, kan ik erop wachten mails te krijgen waarin de materie dogmatisch rechtgetrokken moet worden. Een deel van de GKv’ers, zo vermoed ik, wil niet meegenomen worden met het gelezen Bijbelgedeelte maar kloppende, (over)bekende en dogmatische waarheden aangehoord krijgen. Alsof elke Bijbeltekst, elke zijstraat, op dezelfde hoofdweg moet uitkomen.
Discussies hierover worden vaak gevoed door valse dilemma’s en verzanden geregeld in vermoeiende haarkloverijen.
Ik vind het zowel spannender als beter om elke Bijbeltekst haar eigen kleur aan het christelijk geloof (en aan onze niet in een afgemeten hokje passende God) te laten geven. Dat geeft het christelijk leven dynamiek en voorkomt dat je opgezadeld wordt met een handzaam evangelie waarvan je nooit schrikt (vgl. Filippenzen 2, 12, bewust in NBG ‘51-vertaling: vrezen én beven).
2. Eenzijdige nadruk op Gods liefde. Niet alleen ik maar ook menig ander GKv’er is opgegroeid met wettische en vermoeiende prediking waarin weliswaar veel nadruk werd gelegd op Gods prachtige verbondsbeloften, maar ook aan de zogenaamde ‘eis van het verbond’. Je moest geloven, “maar ook…”. Geloof en geestelijk leven werden hierdoor zover uit elkaar getrokken dat moraliserende prediking in veel kerken gemeengoed werd.
In de jaren ‘90 kwam hier terecht reactie op. Een boekje als ‘Feest van genade’ vond gretig aftrek in de GKv, en heeft voor velen gelukkig erg verlichtend gewerkt. Ook de theologische invloed vanuit Anglicaanse hoek heeft ons toch wel wat eenzijdige, vrijgemaakte denken goed gedaan.
In de bijna twee jaar dat ik nu preek, meen ik een bepaalde verlegenheid en eenzijdigheid onder de kerkleden te bespeuren. Aan de ene kant willen we graag en terecht blijven horen dat God van ons en de wereld houdt, aan de andere kant merken we ook dat er in veel van onze gemeentes niets of weinig gebeurt. We horen mooier of beter evangelie, maar de uitwerking ervan blijft achterwege.
Nu is het volgens mij zo dat menig prediker de crisis in de GKv niet erkent. Maar ik denk ook dat menig prediker dat wel doet, maar met zijn handen in het haar zit. Het evangelie van Gods liefde wordt aan de man gebracht, maar de vraag knaagt: hoe preek je in vredesnaam direct? Hoe spoor je mensen aan, hoe waarschuw je goed? Hoe gebruik je de gebiedende wijs in de preek, zonder opnieuw het geestelijk leven los te koppelen van het geloof in Christus?
Ik hoor weinig preken waarin predikers nog met de vuist op tafel durven te slaan. Veel vaker, is mijn indruk, wordt er (uit angst, uit veiligheidsoverwegingen?) gespiegeld en niet meer rechttoe-rechtaan verkondigd waarop het aankomt. Ook hoor ik regelmatig dat je als prediker gewoon Gods liefde moet preken, en dan zul je vanzelf wel zien of er wat in de gemeente gebeurt. U zult begrijpen dat ik dit een te gemakkelijke houding vindt; een lui profiteren van het Heidelbergse Catechismische ‘het kan niet anders of’.
Liefde heeft ook een keerzijde, namelijk gekrenkte liefde. En dat moet gezegd.
Ik merk dat mensen enthousiast worden als ik een preek over Romeinen 8 gehouden heb, maar mensen schieten in exact dezelfde gemeente in de stress bij een preek over geestelijk leven waarin we worden opgeroepen worden te stoppen met bepaalde dingen. “Je had Gods liefde meer moeten benadrukken of daarmee moeten beginnen!” Of: “Nu ben ik weer terug bij af!” Of: “Hier word ik veel te onrustig van!”
Juist de christen die weet dat hij door God geliefd is, hoeft niet elke keer te horen dat dit zo is. Accepteer dat je geliefd bent. Accepteer die waarheid altijd, leef daarmee, ook als die waarheid door deze of gene in twijfel getrokken wordt. Bovendien maken predikers fouten, en die moeten ze mogen maken.
Wat je ’s zondags te horen krijgt, hangt in de eerste plaats van de gekozen Bijbeltekst(en) af, niet van onze persoonlijke wensen.
Als ik Joram terechtwijs of straf, zou hij dit tegen mij kunnen zeggen: “Maar papa, kunt u, voordat u mij op de gang zet, niet even zeggen dat u van me houdt?”
Ik zal hem zeggen: “Mond houden, en zitten!”
Hij hoeft, helemaal naarmate hij ouder wordt, niet altijd te horen dat ik hem uit liefde aanpak.